"Reizen of verplaatsen?" Dat is de vraag die mijn vrouw en ik elkaar stellen als we op pad gaan.
'Verplaatsen', dat is de tolweg door Frankrijk pakken en in één dag naar het zuiden rijden. Een lange afstand afleggen en onderweg niets meer zien dan de vangrails.
'Reizen' is juist geen snelweg nemen. Binnendoorwegen, door dorpjes en stadjes, en onderweg de tijd nemen om hier en daar even te stoppen en rond te kijken.
Als we op vakantie gaan, naar Bretagne bijvoorbeeld, dan is dus de vraag: gaan we op ons gemak op pad en zien we wel hoever we komen, genietend van alles wat we tegenkomen, of geven we gas en zorgen we dat we er snel zijn.
Onlangs gingen we twee dagen naar Drenthe. Bij vertrek vroeg ik: "Reizen?" "Prima", zei mijn vrouw. En zo deden we een halve dag over de rit van Kortenhoef naar Drenthe, normaal minder dan anderhalf uur. We hebben geen snelweg gezien, wel leuke dorpjes. En een aardig koffietentje onderweg.
Aan het eind van de tweede dag hadden we wel zin om snel thuis te zijn. Dus verplaatsten we ons naar huis.
In veler beleving is reizen een prettig tijdverdrijf. Maar ik kwam erachter dat het Engelse 'travel' etymologisch verwant is aan het Franse 'travail', werk. Sterker nog, in het vroegere Frans had 'travail' de notie van zwoegen, afzien. Het gaat terug op het Latijnse tripalium, een martelwerktuig. Die betekenis heeft een hele reis gemaakt!
Ik dacht dat dit een leuk onderwerp zou zijn voor RobWords, de taalkundige Youtube-serie die ik graag bekijk. Dus ik stuurde Rob een berichtje. Blijkt dat hij een week of zes geleden precies hierover al een artikeltje had geschreven :-)
reacties (0)
Nog geen reacties. Wees de eerste!